Ok

En poursuivant votre navigation sur ce site, vous acceptez l'utilisation de cookies. Ces derniers assurent le bon fonctionnement de nos services. En savoir plus.

tachtigers

  • Un poème de Herman Gorter (1864-1927)

     

     

     

    Du recueil L’École de la poésie

     

     

    HermanGorterParWillemWitsenVers1892.pngSurtout connu à l’étranger comme théoricien et homme politique, Herman Gorter demeure avant tout aux Pays-Bas l’un des poètes majeurs du renouveau littéraire de la fin du XIXe siècle. Dans son long poème épique Mei (Mai), « il a concrétisé de la manière la plus entière le programme poétique » du mouvement des Tachtigers et son recueil Verzen (Poèmes) lui a permis « d’aller aux confins d’une observation et d’une perception sentivistes de la nature »*.

    Le poème sans titre qui suit est extrait d’une œuvre datant de 1897 : De school der poëzie. On doit la traduction (La Revue de Hollande, 2ème année, T. 3, juillet-décembre 1916, p. 35-37) à un autre homme de lettres néerlandais, Dop Bles (1883-1940), qui a vécu à Paris où il s’est lié d’amitié avec, entre autres, André Germain, séjour qui lui a d’ailleurs inspiré ses Parijsche verzen (Poèmes parisiens, 1923).

     

     

    Ik zat eens heel alleen te spelen

    op een gedachteharp, de kelen

    van schemering en duisternis om mij

    fluisterden liedjes, het leek tooverij.

     

    Mijn vingers en mijn oogen teeder gleeden

    langs gele snaren, boven en beneden

    bleven ze langer, want ik wist niet wat

    ver achter in gedachtenvlakte zat.

     

    Een kinderbeeldje, dat is òpgerezen

    zwierig in haar gewaad, ze had te lezen

    gezeten in haar vreemd gedachtenboek,

    nu stond ze in een gelen rimpeldoek.

     

    Nu kwam ze dichter bij, we zijn gekomen

    midden ter vlakte onder heel wat boomen,

    we spraken niet, want boven zei de wind

    al mijn gedachten en die van het kind.

     

    Maar te dansen zijn we wel gegaan,

    heen en weer, op en neer, een lange baan

    van luchtige passen, voeten beurteling

    omhoog, omlaag, als rozenbuiteling.

     

    Te dansen zooals twee rozen gaan,

    rozeroode rozen tusschen groene blaan

    samen gesproten van uit ééne steel,

    twee windewiegelingen, geen geheel

    maar altijd twee, hoewel ze ongescheiden

    het leven doordansen met hun roode beiden.

     

    Zoo dansten wij, mijn vingers scholen in

    ’t geelglimmende fluweel, een diepen zin

    voelden ze daar van ’t levende dat edel

    in ’t gele woonde, en de windevedel

    blies uit een adem van een gele stof

    zooals een zonneschijn in bloemehof.

     

    Wij zeiden altijd niets maar sprongen om ons om -

    haar gouden oogen fonkelden, haar lippen bleven stom -

    de wind zei àl gedachten, en de dansemaat

    die fonkelde in diamant op haar gelaat.

     

    Maar eind’lijk zei ze goeien dag en is weer weggegaan,

    op hare lippen danste lach, haar kleed was als de maan

    zoo flikkerend om ’t dansend lijf, zoo sprong ze heel, heel ver,

    zooals de gouden maan eerst, toen zooals de gouden ster.

     

    Ik ben zooals een oosterster, zij tintelt in het westen,

    wij tweeën vogels weten wel de takken onzer nesten,

    wij komen nog wel weer te saam, is het niet, is het niet,

    dansende liefste, liefste, liefste, op windelied?

     

    Maar onderwijl zit ik te spelen

    op een gedachteharp, de kelen

    van schemering en duisternis om mij

    fluisteren liedjes, het lijkt tooverij.

     

     

     

    GorterBles1.png

    GorterBles2.png

    GorterBLes3.png

     

     

    * Histoire de la littérature néerlandaise, Fayard, 1999, p. 568.

     

    Portrait de Herman Gorter par Willem Witsen, vers 1892.

     

     

     

    GorterBio.jpg

     

    H. de Liagre Böhl, Herman Gorter 1864-1927. Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd, Olympus, 2000, 559 pages. (biographie)