Ok

En poursuivant votre navigation sur ce site, vous acceptez l'utilisation de cookies. Ces derniers assurent le bon fonctionnement de nos services. En savoir plus.

Traductions-Traducteurs - Page 8

  • En niemand weet wat er staat…

    Pin it!

     

     

     

    Andrea Kluitmann interviewt Daniel Cunin

    eind oktober 2020

     

     

    Depuis quelques mois, Andrea Kluitmann tient un blog consacré aux personnes venues des quatre coins du monde qui, en temps normal, séjournent à la Maison des Traducteurs d’Amsterdam (photo). Voici l’entretien qu’elle a eu la gentillesse de me demander de lui accorder.

     

    Vertalershuis1.jpg

     

     

    Mijn fysiotherapeute vraagt naar mijn beroep. ‘Vertaler? Welke talen? Alleen maar Nederlands-Duits?’ Ik leg het moedertaalprincipe uit. Ze staart me aan en de ijzeren greep rond mijn enkel verslapt.

    ‘Moet jij eigenlijk nog weleens woorden opzoeken?’

    ‘Nee. Ja. Maar het gaat niet zozeer om woorden. Neem nou een simpel zinnetje als: ‘‘Heb ik soms iets van je aan?’’’

    Waarom geef ik zo’n lelijk voorbeeld? Laten we het erop houden dat de behandeling niet geheel pijnvrij is.

    Mijn fysiotherapeute is snel van geest en komt uit het zuiden des lands. Ze doet een vertaalpoging (Habe ich manchmal was…) en zegt meteen: ‘Nee, dat wordt hem dus niet!’

    ‘Precies! En dat is trouwens ook een mooi voorbeeld.’

    Andrea Kluitmann

    AK1.pngHoezeer talen van elkaar verschillen, daar ging het eerder die dag ook over in mijn Skype-gesprek met Daniel Cunin. Hij vertaalt al ruim vijftien jaar Nederlandse romans en poëzie in het Frans. In oktober zou hij in het Vertalershuis werken aan gedichten van Lucebert en Gerrit Achterberg, maar door de nieuwe coronamaatregelen verblijft hij er nu ‘virtueel’.

     

    ‘Ik mis Nederland enorm. De goede vrienden die ik daar heb, de taal, de antiquariaten, et cetera. Ik hou van het land, en van het Nederlands. Het Nederlands is zo soepel en compact. Al die kleine woordjes die je in een zin kunt toevoegen of ergens aanplakt zodat je iets totaal anders krijgt. Ik vind dat fascinerend. En wat je met werkwoorden kunt doen in het Nederlands, werkt niet in het Frans. Op basis van het werkwoord ‘‘vertalen’’ kan een vertaler aan het eind van een zware werkdag zeggen dat hij/zij uitvertaald is; om zoiets in het Frans uit te kunnen drukken heb je enkele woorden nodig of een heel andere formulering. Dat maakt het vertalen ook zo interessant, dat grote plezier van het formuleren, van het ánders formuleren.’

    Hester Knibbe, Parijs, 2019 (photo : Anna V.)

    HesterKnibbe-MdlP-2019.jpgDe poëzie van Lucebert vertaal je samen met Kim Andringa. Werk je graag als duo?

    Met Kim wel. We hebben voor Éditions Unes, die Lucebert gaat uitgeven, eerder poëzie van Hester Knibbe vertaald, Archaïsch de dieren / Archaïques les animaux. Die verscheen in een prachtige uitgave. Heel bijzonder, de uitgever had een gewone oplage gedrukt voor 16 euro per bundel, maar ook twintig exemplaren van 200 euro en twaalf van 700 euro. Bij de bibliofiele uitgaven krijg je een origineel kunstwerk. Op de Parijse Marché de la Poésie, een poëziefestival in de open lucht, waren de meest kostbare uitgaven binnen drie dagen verkocht.

    Kim was ooit mijn allerbeste studente aan de universiteit. Ze is tweetalig opgegroeid in Frankrijk met Nederlandse ouders en we zijn een zeer goede combinatie. We brengen allebei iets anders in. Haar Nederlandse taalervaring is anders dan de mijne. Ik ben pas rond mijn 24ste of 25ste met het Nederlands begonnen.

     

    Bijzonder, de combinatie van (beeldende) kunst bij deze gedichten.

    Daar heb ik nog een voorbeeld van, in zekere zin mijn mooiste vertaling: voor een voorstelling vertaalde ik fragmenten uit Vaslav van Arthur Japin, die op de huid van een danseres werden geschreven, een ‘levende’ vertaling. Hier kun je een indruk krijgen: À même la peau.

    AK2.jpg

    Werk je thuis anders dan in het Vertalershuis?

    Ja, toch wel. Daarbij denk ik aan een van mijn eerste verblijven daar. Een hele maand lang had ik elke dag minstens twee afspraken – met auteurs, met uitgevers, met collega’s, met vrienden – ik heb helemaal niets vertaald!

    Ook nu was ik van plan afspraken te maken met een paar Achterberg-specialisten en collega’s die verstand hebben van het vertalen van poëzie. Gerrit Achterberg heeft ongeveer duizend gedichten geschreven, en daarvan heb ik er honderd geselecteerd om te vertalen. Maar van sommige regels of strofen weet niemand wat er staat, iedereen leest iets anders. Daarom wil ik graag drie of vier verschillende visies op die gedichten horen. Dat moet nu schriftelijk of via Skype, en dat werkt toch heel anders dan wanneer je bij elkaar zit en van gedachten kunt wisselen.

    MLR - Plats Pays2.jpegJe vertaalt naast klassieke poëzie ook veel hedendaagse, levende schrijvers. Tijdens de komende Literaire Vertaaldagen wordt het contact tussen auteur, redacteur en vertaler gethematiseerd. Hoe belangrijk is het overleg in die driehoek voor jou?

    Bij De avond is ongemak van Marieke Lucas Rijneveld speelde het een belangrijke rol. Het is een heel bijzondere debuutroman, die ik met veel plezier heb vertaald, maar er kwam wel de nodige redactie bij kijken. Michele Hutchison was tegelijkertijd bezig met de Engelse vertaling en we konden samen met de auteur en de uitgever inconsequenties en foutjes oplossen. Dat is ook in de daaropvolgende Nederlandse drukken verwerkt. Het is mooi om te zien dat de roman nu, na de bekroning met de International Booker Prize, niet alleen in Engeland maar ook in Nederland en Frankrijk weer volop in de belangstelling staat. En volgende week kan de Nederlandse lezer genieten van haar tweede roman, Mijn lieve gunsteling, die ook heel sterk gecomponeerd en geschreven is.

    GB1.jpgDoor Daniels verhaal moet ik denken aan de Duitse schrijver Ingo Schulze, die ooit zei dat elk boek voordat het in de oorspronkelijke taal verschijnt eigenlijk eerst door een vertaler zou moeten worden vertaald. Hoe verhoudt dit zich tot wat vriend en auteur Gerbrand Bakker tegen me zei toen hij zelf - blijkbaar geheel niet onverdienstelijk - een boek vertaalde? ‘Het is heerlijk om te doen, want het werk is al gedaan.’

    Ik moest er erg om lachen, maar hij meende het wel.

     

    Andrea Kluitmann

     

     

    Vonne-Jacklyn-Daniel-Vertalershuis-2018.jpg

    Vertalershuis, met Jacklyn Jiang en Vonne van der Meer 

    photo : Birgit Kooijman

     

     

     

  • derrière la piscine

    Pin it!

     

     

    Un poème de Lieke Marsman

     

     

     

    En 2016, Lieke Marsman disait le poème « Poésie » dans le cadre du programme DichterBij. Puis elle poursuivait par « Que des devenirs ».

    Le premier poème à écouter sur cette vidéo et à lire en français ci-dessous, le second à écouter avant de le lire en cliquant sur le lien.

     

     

     

     

     

    Poésie

     

     

    Sur le moment, ouais, j’ai un peu

    l’impression de me retrouver une fois

    de plus derrière la piscine à chercher

    une cachette, un lieu humide

    où se détacheraient devant mes yeux

    barquettes à frites et verdure.

    Tout au loin quelque chose ronge

    un chemin en moi, ça pourrait être

    un sentiment de sécurité ;

    en réalité, je me sens toujours un peu

    comme si je venais de jouir,

    ne percevant plus que l’odeur de renfermé

    de la couette. Toute la journée,

    j’ai essayé de retrouver le nom

    « Biscuits de Bastogne » ;

    y étant enfin parvenue, je suis

    tout bêtement restée assise

    sur mon lit. Aujourd’hui, la poésie

    me semble un pays pour lequel

    on ne m’a pas accordé de ticket,

    un vieil amour dont je n’ose

    toujours pas effacer le numéro

    de mon téléphone, une île lointaine

    peuplée de pingouins.

     

     

    traduit du néerlandais par Daniel Cunin

     

    le poème a paru dans l’anthologie bilingue

    Poésie néerlandaise contemporaine, Le Castor Astral, 2019

     

     

    Lieke6.png

     

     

     

  • Le retour de J. Slauerhoff en France

    Pin it!

     

     

     

    Le phrasé des mers 

     

     

    slauerhoff,éditions circé,france,hollande,roman,chine,mexique,traduction,voyage,marin,écrivain

     

     

    Pure coïncidence sans doute. L’année de la mort de Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) paraissait un roman de Georges Simenon dont le personnage central rappelle par bien des aspects, ainsi que le relève le biographe Wim Hazeu*, ce poète néerlandais : le huis clos « africain » 45o à l’ombre met en effet en scène Donadieu, un médecin de marine qui « ne se mêlait de rien, restait calme et serein, avec un soupçon de raideur qu’on attribuait aux origines protestantes de sa famille […]. C’était sa manie […] de s’occuper des autres, non pour intervenir dans leur existence, non pour se donner de l’importance, mais parce qu’il ne pouvait rester indifférent aux êtres qui défilaient devant lui, qui vivaient sous ses yeux, glissant vers une joie ou une catastrophe ». De même que le protagoniste issu de l’esprit de Simenon, Slauerhoff a servi à bord de bâtiments qui reliaient l’Europe à l’Afrique de l’Ouest ou effectuaient la ligne Java-Chine-Japon, montrant une réelle empathie pour son prochain, en particulier les passagers les moins bien lotis, tout en sachant garder slauerhoff,éditions circé,france,hollande,roman,chine,mexique,traduction,voyage,marin,écrivainavec la plupart d’entre eux une saine distance. Autre similitude : un usage maîtrisé de l’opium (« On savait qu’il fumait, lui, modérément d’ailleurs, deux ou trois pipes chaque jour. Peut-être l’opium était-il à la base de son flegme ? »). De constitution fragile, souffrant d’asthme depuis sa plus tendre enfance, le Néerlandais dégingandé – 1, 84 m pour guère plus de 65 kg – a souvent cherché une forme de soulagement dans les drogues jusqu’à ce que la tuberculose le terrasse. Et comment ne pas penser non plus à Slauerhoff en lisant la dernière phrase de 45o à l’ombre : « Quant à Donadieu, il faisait de nouveau les Indes, repérait les passagères en mal d’émotions et les initiait à l’opium, certains soirs, dans sa cabine. Mais le bruit courait qu’il n’en profitait jamais. » Grand séducteur, errant en permanence entre plusieurs maîtresses et amies – son mariage en 1930 avec la ravissante danseuse Darja Collin (photo ci-dessus) se traduira par une rapide désillusion –, il lui arrivait de se défiler alors que la femme à laquelle il s’intéressait n’opposait plus aucune résistance ou se montrait trop entreprenante.

    slauerhoff,éditions circé,france,hollande,roman,chine,mexique,traduction,voyage,marin,écrivainAuteur de trois romans, de vingt-cinq nouvelles, d’une pièce de théâtre consacrée à la grande figure de l’histoire coloniale batave Jan Pietersz. Coen (1587-1629), de critiques et d’essais - dans lesquels il se dévoile souvent et dont une part non négligeable porte sur des auteurs français du XIXe siècle et du début XXe –, de récits de voyage et de traductions, J. Slauerhoff demeure sans doute avant tout aux Pays-Bas un grand nom de la poésie de l’entre-deux-guerres : une œuvre qui regroupe environ cinq cents poèmes, une poignée ayant été écrits en français (voir le recueil Fleurs de marécage, 1929), quelques autres transposés dans cette même langue pour diverses revues ou anthologies, la dernière en date étant Poètes néerlandais de la modernité.

    Toutefois, c’est bien dans ses romans et certaines de ses nouvelles que ce fils de petits commerçants frisons a déployé toute sa force créatrice, laissé le plus librement cours à son imaginaire déroutant : par endroits hallucinée, sa prose charrie thématiques et motifs déjà omniprésents dans la poésie des premières années (l’errance, l’exil, la mer, la mélancolie, le démoniaque et la lutte face au démon, la fascination pour les mondes disparus et la décadence des civilisations, les âmes mortes, l’amour des îles, le statut de solitaire face à la masse, le désespoir amoureux, l’intemporalité…), fait une belle place aux mythes, à la veine fantastique, occulte et onirique. Slauerhoff, qui avait plusieurs ancêtres marins, nourrit ses pages d’images, de descriptions et de sensations récoltées aux quatre coins du monde, dans des villes portuaires, l’arrière-pays, et bien entendu en pleine mer. Son Journal, sa correspondance et ses impressions de voyage regorgent, sous forme embryonnaire, voire plus ou moins aboutie, de passages de ses futures œuvres en prose. Les fruits de ces expériences vécues loin du pays natal, l’homme tourmenté qu’il était les fond dans le creuset de ses multiples contradictions (personnalité tour à tour affable et insupportable, amant à la fois très jaloux et compréhensif) et de sa vaste érudition (la conférence qu’il donne à l’âge de dix-sept ans sur les lettres slauerhoff,éditions circé,france,hollande,roman,chine,mexique,traduction,voyage,marin,écrivainrusses subjugue ses camarades lycéens). Il suffit d’ouvrir son premier roman, Le Royaume interdit, pour saisir la singularité de sa perception du monde et de son art : sous sa plume, la Chine, Macao, Lisbonne, l’histoire coloniale du Portugal, la figure de Camões prennent un relief insoupçonné. La connaissance qu’il a accumulée sur ces divers lieux, cultures et sujets – pour s’être rendu sur place, pour avoir puisé aux meilleures sources : il suit l’enseignement de Robert van Gulik (sinologue, diplomate et écrivain), se lie d’amitié avec quelques érudits portugais, lit les ouvrages anglais, français, allemands les plus documentés… – ne bride pas son imagination, n’étouffe pas son talent, bien au contraire. Lui qui ne cesse de naviguer dans l’indécision – repartir en mer ou adopter un mode de vie bourgeois ; s’établir en Chine, à Tanger (ce qu’il fera un temps), au Costa Rica ou revenir aux Pays-Bas ; quitter tout territoire ou se réfugier sur l’île de Vlieland (île des Wadden) ; fuir les cercles littéraires ou côtoyer les amis écrivains ; s’engager à l’égard d’une femme ou succomber à celles que le hasard place sur sa route… – parvient, dans une sorte d’envoûtement, une fièvre visionnaire et un effort de concentration qui le laisse hâve, à délivrer une prose témoignant de convictions esthétiques affirmées. « Luxueux bon à rien », « négligé », « brouillon », « désordonné » : certains de ces qualificatifs, dont on a usé à juste titre envers Slauerhoff, par exemple en raison de l’illisibilité de ses manuscrits, et qui peuvent d’ailleurs se lire dans l’étymologie même de son patronyme, ne sauraient être de mise à propos de ses romans. Le flou, le flottement dans lesquels ils semblent baigner ne doivent rien à la nonchalance, écrire étant en quelque sorte pour le Frison d’origine vivre une expérience jusqu’au bout et revenir dessus en pensée.

     

    Slauerhoff et les femmes

     

     

    Soixante-quinze ans plus tard

     

    slauerhoff,éditions circé,france,hollande,roman,chine,mexique,traduction,voyage,marin,écrivainDepuis quelques années, les éditions Circé, basées à la fois dans les Vosges et à Berlin, font un effort pour que le lecteur français découvre, en format de poche, les romans et nouvelles de l’écrivain néerlandais. En 2008 paraissait, avec une postface de Cees Nooteboom, le roman posthume La Révolte de Guadalajara, l’année suivante le premier des trois romans du natif de Leeuwarden : Le Royaume interdit et, en 2010, une réédition légèrement revue du recueil de nouvelles Écume et Cendre, la première version donnée par les Éditions universitaires en 1975 étant devenue introuvable. Het leven op aarde, le dernier roman encore inédit en français et qui s’inscrit dans le prolongement du Royaume interdit, devrait paraître dans une année ou deux**, toujours par les soins de Claude Lutz – lequel, sensible au courant moderniste, a découvert l’écrivain grâce aux traductions allemandes –, sous le titre La Vie sur terre. Ne resteront dès lors inédites en français qu’une petite vingtaine de nouvelles, celles des recueils Het lente-eiland en andere verhalen (L’Île printanière et autres histoires, 1933) et Verwonderd saam te zijn (Étonnés de se trouver ensemble, 1987).

    Les trois titres offerts coup sur coup par les éditions Circé n’ont eu à l’heure qu’il est qu’un assez faible écho auprès de la critique. Seul Mathieu Lindon s’est, dans le quotidien Libération, arrêté sur chacun d’entre eux, intrigué par « l’œuvre étrange de cet étrange médecin et marin néerlandais » et « le nomadisme on ne peut plus déstabilisant » de ses personnages. Il écrit par exemple : « Le ton de Jan Jacob Slauerhoff est étonnamment clinique et, de fait, il ausculte un mysticisme sans véritable croyance et une révolution sans idéologie, privés de tout fondement théorique. Il a ce même lien de sèche lucidité à l’égard de sa propre intrigue, pourtant riche. Les événements surviennent comme des saisons sans que leurs acteurs aient conscience ni de ce qu’ils sont ni de ce qu’ils font. »

    slauerhoff,éditions circé,france,hollande,roman,chine,mexique,traduction,voyage,marin,écrivainDans un papier trop vite écrit, Camille Decisier (« La Révolte de Guadalajara », dans Le Matricule des anges, n° 98, novembre-décembre 2008) passe pour sa part à côté de l’essentiel, autrement dit la poétique de Slauerhoff, pour retenir sa supposée « réflexion sociopolitique » et s’emberlificoter les pinceaux dans des clichés (« une langue aussi nébuleuse que le hollandais »). La politique n’occupe en réalité qu’une place très secondaire dans l’œuvre du médecin-écrivain. Il est rapidement revenu de son enthousiasme du tout début des années 1920 – manifeste dans certains poèmes – pour la révolution bolchévique, estimant qu’il n’avait que trop « flirté avec la révolution ». Très vite, il a perçu la catastrophe que représentaient pour l’homme et le communisme et l’hitlérisme : « Hitler n’est pas une montagne qui accouche d’une souris. C’est une souris qui va accoucher d’une montagne, une montagne de malheurs », concluait-il par exemple dans un article de décembre… 1931.

    Soixante-quinze ans après le dernier passage de Slauerhoff en France, pays où il s’est rendu à maintes reprises et dont il a beaucoup pratiqué les femmes et la littérature, il est heureux qu’il y fasse enfin son retour, cette fois à travers ses œuvres les plus marquantes.

     

    Daniel Cunin

     

     

    La Chine et Macao

     

     

    * Wim Hazeu, Slauerhoff. Een biografie, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1995.

    ** Malheureusement, malgré la volonté de l’éditeur, ce projet n’a pu se concrétiser.

     

    Article paru à l’origine dans Septentrion, n° 4, 2012, p. 15-18.

     

    slauerhoff,éditions circé,france,hollande,roman,chine,mexique,traduction,voyage,marin,écrivain

    la revue De parelduiker, n° 4, 2018 

     

     

  • LA MEUSE

    Pin it!

     

     

     

     

    UN CHANT DE FRANS BUDÉ

     

    Le 30 mai 2015, à l’initiative de MaterMosa, dans chaque commune située le long de la Meuse, des cœurs ont chanté, certains en français, d’autres en néerlandais, le poème de Frans Budé « Lied van de Maas » mis en musique par Jesse Passenier. La version française du texte suit la version originale chantée a capella.

     

    meuse,frans budé,jesse passenier,daniel cunin,chant,musique

     

     

     

     

    Frans Budé

     

    Chant de la Meuse

     

     

    Meuse qui pétille, Meuse qui exulte, fière Meuse.

    Se ride l’eau toute lisse, s’émerveille le pêcheur,

    le gai batelier répond au salut des cyclistes.

    Des poissons gambillent, des oiseaux plongent libres et joyeux,

    rangs de rameurs musclés qui embellissent le ballet.

    S’installe le soyeux son du silence, proche le paradis,

    tournoie autour du passé, du rêve d’avenir des quais.

     

    meuse,frans budé,jesse passenier,daniel cunin,chant,musiqueRythme du fleuve, plus vraiment en bride,

    rythme de la Meuse, eau tonitruante,

    berge qui se laisse bercer, caresser,

    là où bruit le vent, la lumière s’assemble,

    l’autre rive séduit – pour plus tard le pont.

     

    Meuse qui sautille, Meuse qui chavire, ivre Meuse,

    l’hiver tu cognes à la porte arborant une grimace.

    Tu largues quantité de flots, déferles hors de ton lit,

    boue sale, eau fangeuse, merci pour la gêne occasionnée.

    Mais te retrouves-tu que tu te soucies de nous,

    la lumière scintille autour de toi qui débordes de joie,

    après le méandre se disperse, tourbillonne sur les digues.

     


    meuse,frans budé,jesse passenier,daniel cunin,chant,musiqueRythme du fleuve, plus vraiment en bride,

    rythme de la Meuse, eau tonitruante,

    berge qui se laisse bercer, caresser,

    là où bruit le vent, la lumière s’assemble,

    l’autre rive séduit – pour plus tard le pont.

     

    Meuse qui resplendit, Meuse voluptueuse, douce Meuse.

    Spectacle splendide, sur la trace de son estuaire,

    avec charme elle gambade de ville en ville, se faufile

    de coude en coude dévorée du désir vif de la mer.

    Sur le pont arrière flotte un pavillon dans l’attente

    de la lune, la voilà qui prend sa place, soudain paraît,

    se balance comme une barque, danse à la cadence de l’eau.

     

    meuse,frans budé,jesse passenier,daniel cunin,chant,musiqueRythme du fleuve, plus vraiment en bride,

    rythme de la Meuse, eau tonitruante,

    berge qui se laisse bercer, caresser,

    là où bruit le vent, la lumière s’assemble,

    l’autre rive séduit – pour plus tard le pont.

     

     

     

    traduit du néerlandais par Daniel Cunin

     

     

     

    D’autres « chants » de Frans Budé ont été mis en musique et chanté en français, ainsi de « Rochers de Frênes ».

     

    meuse,frans budé,jesse passenier,daniel cunin,chant,musique

    Frans Budé (photo : Riet Budé-Dolders)

     

     

     

  • JEAN GIONO

    Pin it!

     

     

     

    Un poème de Gerrit Achterberg (1905-1962)

     

    Achterberg-19 ans.jpg

    Gerrit Achterberg à l’âge de 19 ans 

     

     

     

    Jean Giono

     

     

    Quand je lis Jean Giono, la vie s’arroge

    une nouvelle place en moi, mon corps s’emplit

    de véloces poissons ; sans avoir à décider

    de rien, me voici tout entier offert aux rivières.

     

    La pluie et le soleil sont d’énormes tamis

    à travers lesquels je tombe ; l’iris des marais

    aiguise ses doux couteaux aux membranes

    qui m’élèvent à d’insoupçonnées hauteurs.

     

    Les saumons se blottissent contre mon dos.

    Je suis le gobie de cette contrée, Lubéron,

    un étang à canards, qui préserve le pâle

     

    clair de lune sous le pont arrondi des feuillées,

    des heures durant, jusqu’à la Méditerranée.

    Ici, tous les singes font l’ascension avec nous.

     

     

    GIONO.pngSans doute composé en 1948, ce poème a paru dans le recueil Hoonte (1949). En 1937, Gerrit Achterberg avait apprécié la traduction néerlandaise du Chant du monde. « Lis Giono, goûte-le, écrit-il, depuis sa cellule de prison, à la femme dont il est tombé amoureux peu avant. Tout est bon, page après page, si je ne me trompe. » Notons au passage que l’on doit à Jean Giono la traduction d’une œuvre du dramaturge hollandais Vondel (1587-1679) : Joseph à Dothan, pièce jouée au théâtre d’Orange en 1952. Il a par ailleurs préfacé la traduction française d’un roman de son confère Antoon Coolen : Le Bon assassin, réédité en 1995 sous le titre La Faute de Jeanne Le Coq.

    Un choix de la poésie de Gerrit Achterberg paraîtra bientôt en langue française sous le titre L’ovaire noir de la poésie.

     

     

    Chez l’auteur de Que ma joie demeure, à propos de la nouvelle... vague